Jules Verne

Wat stond Phileas Fogg nu te doen? Dit was moeielijk te gissen. Het scheen evenwel dat de reiziger het wist, want denzelfden avond liet hij den machinist bij zich komen en zeide:

"Stook zoo hard gij kunt en ga daarmede voort tot alle brandstoffen op zijn."

Eenige oogenblikken later stegen er uit de schoorsteenen der Henrietta weder dikke rookkolommen op.

Het schip ging dus zoo snel mogelijk vooruit, maar de machinist deed den 18den, twee dagen later, weten, dat er in den loop van dien dag gebrek aan steenkolen zou zijn.

"Goed," zeide Fogg. "Laat het vuur even fel branden." Men bezware integendeel de veiligheidskleppen.

Tegen den middag van dien dag deed Phileas Fogg, na hoogte genomen te hebben en te hebben berekend, waar men zich bevond, Passepartout bij zich komen, en beval hem kapitein Speedy voor te brengen. Men had hem even goed kunnen gelasten een tijger los te laten en terwijl hij naar beneden ging, mompelde Passepartout dan ook bij zich zelven:

"De kerel zal bepaald dol zijn."

En inderdaad eenige minuten later was het of er een bom op het dek viel. Die bom was kapitein Speedy. Alles kondigde aan dat zij zou springen.

"Waar zijn wij?" waren de eerste woorden, die hij uitte te midden van allerlei ontboezemingen van drift, en als de man eenigen aanleg voor eene beroerte had gehad, zou hij zeker zijn bezweken.

"Waar zijn wij?" herhaalde hij met een gezicht dat dreigde te barsten.

"Op zeven honderd zeventig mijlen van Liverpool, kapitein;" antwoordde Fogg dood kalm.

"Zeeroover," riep Andrew Speedy uit.

"Ik heb u doen komen, mijnheer"....

"Zeeschuimer!"....

"Mijnheer," ging Fogg voort, "ten einde u te verzoeken om uw schip te verkoopen."

"Neen, bij alle duivels! neen!"

"Ziet ge, ik zal verplicht zijn om het te verbranden."

"Mijn schip verbranden!"

"Ja, ten minste het bovengedeelte, want wij hebben geen brandstof meer."

"Mijn schip verbranden!" riep kapitein Speedy, die ter nauwernood de woorden kon uitspreken, "een schip, dat 50,000 dollars waard is!"

"Hier hebt gij er 60,000," antwoordde Phileas Fogg den kapitein een tros bankbiljetten voorhoudende.

Dit maakte een onbeschrijfelijken indruk op Andrew Speedy. Op een Amerikaan maken 60,000 dollars altijd zekeren indruk. De kapitein vergat oogenblikkelijk zijn toorn, zijne gevangenschap en al zijne grieven tegen zijn passagier. Zijn schip was twintig jaar oud. Het was eene schitterende zaak. De bom kon niet meer springen. De heer Fogg had de lont verwijderd.

"En het ijzeren karkas en de machine, mijnheer. Is de zaak in orde?"

"Geheel in orde."

Andrew Speedy nam oogenblikkelijk den tros met bankbiljetten aan en deed die in zijn zak verdwijnen.

Bij dit onderhoud werd Passepartout doodsbleek. Wat Fix betreft, hij dacht een beroerte te krijgen. Weder werden 12,500 pond weggegooid en bovendien liet die Fogg het geraamte van het schip en de machine aan den verkooper, terwijl deze juist de geheele waarde van het schip uitmaakten. Maar daartegenover stond, dat de diefstal aan de bank vijf en vijftig duizend pond sterling bedroeg.

Toen Andrew Speedy het geld had opgestoken, zeide Fogg:

"Wat gij ziet, mijnheer, verwondere u niet. Gij moet weten dat ik twintig duizend pond verlies, wanneer ik den 21sten December, kwartier voor negenen niet te Londen ben. De mailboot van New-York heb ik niet kunnen halen en daar gij mij niet naar Liverpool woudt brengen...."

"En daar heb ik zeer goed aan gedaan, bij de vijftig duizend duivels der heil" riep Andrew Speedy uit, "daar ik er veertig duizend dollars bij win."

Toen ging hij op kalmer toon voort:

"Wil ik je eens wat zeggen, kapitein?...."

"Fogg."

"Kapitein Fogg, er is iets van een Yankee in u."

Na dit compliment--althans in zijn oogen--aan zijne passagier, wilde hij gaan toen Fogg hem vroeg:

"Alzoo behoort dit schip nu aan mij?"

"Van de kiel tot den mast, voor zoover het hout is, natuurlijk."

"Laat al het hout in het binnenste van het schip afbreken en stook met die stukken," beval hij.

Men begrijpt hoeveel hout men moest verbranden om den stoom op voldoende drukking te houden.