Jules Verne

Ik zag Hans aan.

"Foruet!" sprak de gids heel bedaard.

"Vooruit!" herhaalde mijn oom.

Het was een uur en dertien minuten na den middag.

HOOFDSTUK XVII

Naar den afgrond.--De theorie van Davy bevestigd.--Geen inwendige warmte.--Op den bodem van den krater.

De wezenlijke reis begon. Tot nu toe waren de vermoeienissen erger geweest dan de moeielijkheden; van nu af aan schoten dezen inderdaad onder onze schreden uit den grond op.

Ik had nog geen blik geworpen in dien onpeilbaren put, waarin ik zou afdalen. Het oogenblik was gekomen, ik kon nog of aan de onderneming deelnemen of mij er aan onttrekken. Maar ik schaamde mij voor den jager om achteruit te treden. Hans ondernam het waagstuk zoo gerust, met zulk eene onverschilligheid, zulk eene volkomene onbezorgdheid voor alle gevaar, dat ik reeds bloosde alleen bij de gedachte, dat ik minder moedig zou zijn dan hij. Ware ik alleen geweest, dan zou ik nog eens de reeks gewichtige gronden geopperd hebben; maar in tegenwoordigheid van den gids zweeg ik; eene mijner herinneringen vloog naar mijn lief meisje en ik naderde den middelsten schoorsteen.

Ik heb reeds gezegd, dat hij honderd voet in middellijn of drie honderd voet in omtrek mat. Ik bukte over eene overhangende rots en zag naar beneden; mijne haren rezen te berge. Het gevoel van het ledige maakte zich van mij meester. Ik voelde het zwaartepunt zich in mij verplaatsen en de duizeligheid als dronkenschap naar mijn hoofd stijgen. Niets bedwelmt meer dan die aantrekkingskracht van den afgrond. Ik was op het punt van te vallen. Eene hand hield mij tegen: die van Hans. Zeker had ik nog niet genoeg les genomen in het nederzien in den afgrond op de Frelsers-Kirk te Kopenhagen.

Al had ik maar even mijne blikken in dien put laten vallen, nochtans had ik mij vergewist van zijne inrichting. Zijne bijna loodrechte wanden leverden wel talrijke uitstekende punten op, die de nederdaling gemakkelijk konden maken; maar ontbrak al de trap niet, de leuning wel. Een touw, aan de opening vastgemaakt, zou toereikende geweest zijn om ons te steunen; maar hoe moest het losgemaakt worden, als wij beneden waren gekomen?

Mijn oom gebruikte een zeer eenvoudig middel om dit bezwaar uit den weg te ruimen. Hij ontrolde een touw zoo dik als een duim en ter lengte van vier honderd voet; hij vierde er eerst de helft van, draaide het toen om een uitstekend brok lava en wierp de andere helft in den schoorsteen. Ieder onzer kon nu nederdalen, de beide helften van het touw, dat niet losraken kon, in de hand houdende; waren wij eerst maar twee honderd voet gedaald, dan zou niets gemakkelijker zijn dan het naar ons toe te halen door het eene einde los te laten en aan het andere te trekken. Vervolgens herhaalde men die bewerking slechts "usque ad infinitum".

Nadat die toebereidselen afgeloopen waren, zeide mijn oom: "Nu zullen wij ons met de bagage bezighouden; wij zullen ze in drie pakken verdeelen en ieder onzer zal er een op zijn rug binden; ik spreek alleen van de breekbare voorwerpen."

De stoutmoedige professor plaatste ons blijkbaar niet in deze laatste afdeeling.

"Hans," hernam hij, "zal zich belasten met de werktuigen en een gedeelte der levensmiddelen; gij, Axel! met een ander derde deel der levensmiddelen en met de wapenen; ik, met het overschot der levensmiddelen en met de breekbare werktuigen."

"Maar," zeide ik, "wie zal zich belasten met het naar beneden brengen der kleederen en van die massa touwen en ladders?"

"Die zullen wel alleen beneden komen."

"Hoe dan?" vroeg ik zeer verwonderd.

"Dat zult gij zien."

Mijn oom wendde gaarne groote middelen aan en deed dat zonder aarzelen. Op zijn bevel maakte Hans een pak van de stevigste voorwerpen en wierp het, behoorlijk vastgebonden, heel eenvoudig in de diepte.

Ik hoorde het heldere geraas voortgebracht door de verplaatsing der luchtlagen. Over den afgrond gebogen volgde mijn oom met een tevreden gezicht de nederdaling zijner bagage en stond eerst op, toen hij ze uit het oog had verloren.