Jules Verne

"Hoe laat is het toch?" vroeg hij na eenige oogenblikken stilte.

"Drie uur," antwoordde ik.

"Wat! dan heb ik mijn middagmaal mooi verzuimd. Ik sterf van honger. Aan tafel! En dan...."

"En dan?"

"Zult gij mijn valies pakken."

"Wat?" riep ik uit.

"En het uwe!" antwoordde de onverbiddelijke professor, terwijl hij de eetzaal binnentrad.

HOOFDSTUK VI

In het studeervertrek.--De Sneffels.--De warmte in den aardbol. --De vulkanen.--Inwendige hitte der aarde.

Op die woorden ging mij eene rilling door het geheele lichaam. Ik bedwong mij echter. Ik besloot zelfs een goed gelaat te toonen. Wetenschappelijke bewijzen alleen konden professor Lidenbrock weerhouden, en die waren er genoeg, zeer goede zelfs, tegen de mogelijkheid van zulk eene reis. Naar het Middelpunt der aarde gaan! Welk eene dwaasheid! Ik bewaarde mijne bedenkingen tot een gepaster oogenblik en hield mij alleen met den maaltijd bezig.

Het is noodeloos al de verwenschingen van mijn oom mede te deelen, toen hij de tafel niet gedekt vond. Alles werd opgehelderd. De goede Martha kreeg hare vrijheid terug. Zij liep naar de markt en repte zich zoo, dat mijn honger een uur later gestild was en ik weder besef kreeg van onzen toestand.

Onder het eten was mijn oom bijna vroolijk; er ontvielen hem eenige geleerde kwinkslagen, die nooit zeer gevaarlijk zijn. Toen het nagerecht was afgeloopen, gaf hij mij een wenk om hem in zijn studeervertrek te volgen.

Ik gehoorzaamde. Hij ging aan het eene einde van zijne werktafel zitten en ik aan het andere.

"Axel!" zeide hij met eene zachte stem, "gij zijt een schrandere jongen; gij hebt mij daar een verbazenden dienst bewezen, toen ik die verbinding wilde opgeven. Waar zou ik heen gedwaald zijn. Niemand kan het weten! Ik zal dat nooit vergeten, mijn jongen! en gij zult uw deel hebben van den roem, dien wij zullen verwerven."

"Kom aan," dacht ik, "hij is goed geluimd; het oogenblik is gekomen om over dien roem te twisten."

"Bovenal," hernam mijn oom, "beveel ik u de stiptste geheimhouding aan, verstaat gij? Het ontbreekt mij aan geen benijders in de geleerde wereld, en velen zouden die reis willen ondernemen, die er eerst bij onze terugkomst iets van mogen vernemen.

"Gelooft gij," zeide ik, "dat het aantal van die vermetelen zoo groot zou zijn?"

"Zeker! Wie zou aarzelen om zulk een roem te verwerven? Als dit document bekend was, zou een heirleger van geologen het voetspoor van Arne Saknussemm volgen!"

"Daarvan ben ik nog niet overtuigd, oom! want niets bewijst de echtheid van dit document."

"Wat! En het boek, waarin wij het ontdekt hebben?"

"Goed! Ik stem toe, dat die Saknussemm deze regels geschreven heeft; maar volgt daaruit, dat hij inderdaad die reis heeft volbracht, en kan dat oude perkament geene bedriegerij behelzen?"

Het speet mij bijna, dat ik dit wel wat gewaagde woord had gesproken; de professor fronste zijn dikke wenkbrauwen en ik vreesde den uitslag van dit gesprek in de waagschaal te hebben gesteld. Gelukkig liep het goed af. Een vluchtig glimlachje krulde de lippen van den strengen spreker en hij antwoordde:

"Dat zullen wij eens zien."

"Zoo!" zeide ik een weinig verstoord, "maar veroorloof mij om de reeks van tegenwerpingen met betrekking tot dit document te voltooien."

"Spreek, mijn jongen! spreek ongedwongen. Ik geef u volle vrijheid om uwe meening te uiten. Gij zijt niet meer mijn neef, maar mijn ambtgenoot. Ga dus voort."

"Welnu! dan zal ik u vooreerst vragen, wat die Yocul, die Sneffels en die Scartaris zijn, waarvan ik nooit heb hooren spreken."

"Niets is gemakkelijker. Ik heb onlangs van mijn vriend August Petermann uit Leipzig eene kaart gekregen; zij kon niet beter van pas komen. Krijg den derden atlas uit het tweede vak van de groote bibliotheek, reeks Z. de vierde plank."

Ik stond op en, dank zij deze juiste aanwijzingen, vond ik spoedig den gevraagden atlas. Mijn oom opende hem en zeide:

"Dit is eene der beste kaarten van IJsland, die van Handerson, en ik geloof, dat zij ons de oplossing van al uwe bezwaren zal geven."

Ik boog mij over de kaart.