Jules Verne

Er waren tamelijk veel passagiers aan boord. Eenigen bleven op het dek om het schilderachtige stadsgezicht te genieten, maar de meesten lieten zich met de bootjes naar wal roeien.

Fix sloeg met de grootste aandacht ieder, die het schip verliet, gade.

Op dit oogenblik kwam er iemand, die op ruwe wijze de fellahs, welke hem met hunne aanbiedingen overstelpten, van zich stootte, naar hem toe en vroeg hem zeer beleefd of hij hem ook het bureel van den engelschen consulairen agent kon aanwijzen. Hij liet hem te gelijk een paspoort zien, waarop hij zonder twijfel verlangde dat men het engelsche visa zou stellen.

Fix nam werktuigelijk het paspoort en met een vluchtigen blik las hij het signalement. Een moeielijk te onderdrukken beweging maakte zich van hem meester. Het papier trilde in zijn hand; het signalement op het paspoort was volkomen hetzelfde als dat, hetwelk hij van den directeur van politie uit de hoofdstad ontvangen had.

"Dit paspoort is niet van u?" zeide hij tot den reiziger.

"Neen," antwoordde deze, "het is van mijn meester."

"En uw meester?"

"Hij is aan boord gebleven."

"Maar," hernam de agent, "men moet zich altijd in persoon bij den agent aanmelden, ten einde zijn identiteit te bewijzen."

"Hoe zoo? is dat noodig?"

"Dat is noodzakelijk."

"Waar is het bureel?"

"Daar op den hoek van het plein," antwoordde de inspecteur, naar een huis wijzende, dat niet meer dan tweehonderd schreden van hem verwijderd was.

"Dan zal ik mijn meester gaan halen, die het intusschen volstrekt niet aangenaam zal vinden om zoo gestoord te worden."

Toen groette de reiziger Fix en ging weer naar de stoomboot terug.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

Dat alweer de nutteloosheid van een paspoort in politiezaken bewijst.

De agent spoedde zich naar het consulaat. Hij werd terstond op zijn dringende vraag om den consul te spreken, tot dezen toegelaten.

"Mijnheer de consul," zeide hij, met de deur in het huis vallende, "ik heb reden om te gelooven dat onze dief op de Mongolia is."

En Fix vertelde wat er tusschen den bediende en hem was voorgevallen.

"Mij is het wel, mijnheer Fix," antwoordde de consul, "en ik wil het gezicht van zoo'n schurk wel eens zien. Maar misschien zal hij niet eens aan mijn bureel komen, zoo hij 't is voor wien gij hem houdt. Een dief is er niet op gesteld om eenigen indruk van zich achter te laten, en bovendien is de formaliteit der viseering van paspoorten niet verplichtend."

"Mijnheer de consul," antwoordde de inspecteur, "zoo het een schrandere kerel is, zooals men wel denken moet, dan zal hij komen!"

"Om zijn paspoort te laten viseeren?"

"Ja. De paspoorten dienen nergens anders toe dan om een fatsoenlijk man in zijne bewegingen te hinderen en een schurk in zijne vlucht behulpzaam te zijn. Ik ben overtuigd dat dit paspoort in orde zal zijn, maar ik vertrouw dat gij het niet viseeren zult."

"Wel waarom niet? Zoo het paspoort in orde is," antwoordde de consul, "dan heb ik het recht niet om mijn visa te weigeren."

"In elk geval, mijnheer de consul, ben ik wel genoodzaakt om dien man hier te houden, totdat ik het bevel tot arrestatie uit Londen ontvangen heb."

"Wat dat betreft, mijnheer Fix, dat is uwe zaak," antwoordde de consul, "maar ik heb daartoe geen recht...."

De consul eindigde zijn volzin niet. Er werd geklopt en de klerk kondigde twee vreemdelingen aan, waarvan een dezelfde bediende was, waarmede de detective had staan praten.

Het waren inderdaad de heer en zijn knecht. De eerste reikte zijn paspoort over en vroeg eenvoudig, of de consul er zijn visa op wilde stellen.

Deze nam het paspoort en las het zeer aandachtig, terwijl Fix, die in een hoek gezeten was, den vreemdeling gadesloeg of liever met de oogen verslond.

Toen de consul het stuk gelezen had, vroeg hij: "--Gij zijt mijnheer Phileas Fogg, esquire?"

"Ja, mijnheer," antwoordde de gentleman.

"En deze man is uw bediende?"

"Ja, een Franschman. Passepartout is zijn naam."

"Gij komt uit Londen?"

"Ja."

"En gij gaat naar?"

"Bombay."

"Best, mijnheer.